De politieke partij Kleurrijk Langedijk heeft diverse vragen gesteld aan het College van B & W van Langedijk naar aanleiding van voorgenomen baggerwerkzaamheden Westeinde.
Hieronder kunt u de tekst lezen:
Bij de behandeling van het Masterplan WC Broekerveiling is er een motie aangenomen om het flora en fauna-onderzoek naar voren te halen in verband met de aanwezigheid van de bittervoorn.
Afgelopen week zijn er werklieden begonnen met het slaan van palen ter voorbereiding op baggerwerkzaamheden. Aan omwonenden op De Wup en Het Mat is verteld dat de komende week men in het midden van het water metingen zal verrichten naar de dikte van de sliblaag.
Wij willen u over deze plannen enkele vragen stellen:
Vraag 1. Op welke termijn wilt u met de baggerwerkzaamheden aanvangen?
Vraag 2. Hoe gaat u de bagger werkzaamheden uitvoeren?
Vraag 3. Worden deze werkzaamheden uitgevoerd voordat het flora en fauna-onderzoek plaats vindt of daarna?
Gezien het belang dat wij aan de bestaande natuurwaarden hechten en het feit dat het College dinsdagmorgen toch vergadert, zouden wij het op prijs stellen om uiterlijk dinsdag 4 november voor 18.00 uur antwoord van het College op onze vragen te hebben.
Ter verduidelijking van het spoedeisende van onze vragen. Hieronder nadere informatie waarop wij onze zorg voor een goede aanpak baseren:
“De bittervoorn is bijzonder gevoelig voor vervuiling. Dit geldt niet
zozeer voor organische vervuiling of vervuiling door huishoudelijk afval,
maar vooral voor anorganische, industriële vervuiling. Dit laatste heeft
een grote rol gespeeld in de sterke achteruitgang van de bittervoorn.
Ook is de bittervoorn kwetsbaar voor baggeren en mechanisch schonen
(met name de mosselen zijn daar gevoelig voor), verzuring, verdroging
en versnippering.
Beschermend beheer van de bittervoorn moet zich met name richten op
kleinschalig en gefaseerd baggeren en schonen en het verbinden van
leefgebieden.
Mosselen
Indien in een water geen mosselen voorkomen, kan de bittervoorn zich
niet voortplanten. Zoetwatermosselen zijn, wat het bodemsubstraat
betreft, niet kieskeurig. Ze worden op een veelheid van bodems
aangetroffen: modder, zand, grind en (niet te harde) klei en zelfs
tussengrote keien in snelstromende riviertjes (Gordon & Layzer, 1989).
Zolanger geen andere beperkende factoren optreden, bepaalt de aanwezigheid van zoetwatermosselen het verspreidingsgebied van de bittervoorn.
Helaas worden bij onderhoudswerkzaamheden aan waterlopen regelmatig
grote aantallen mosselen verwijderd. Dit betekent dat bittervoorns
zich daar niet langer kunnen voortplanten, waardoor gehele populaties
zullen verdwijnen (Gaumert, 1986).
Waterbeheer
Er wordt geadviseerd handmatig te schonen en te baggeren. Wanneer dit geen haalbare optie is, wordt, bij een machinale uitvoering, een
fasering in tijd en ruimte als zinvolle mogelijkheid geopperd Hierbij kunnen echter grote hoeveelheden zoetwatermosselen op de kant belanden. Wanneer het maaisel en de bagger op de kant worden gebracht kunnen meegeschepte zoetwatermosselen gemakkelijk worden teruggezet.
Van belang lijkt een zodanig schonings- en baggerbeheer dat een
kleinschalig mozaïekpatroon wordt gevormd van verlandingsstadia
waardoor alle habitats beschikbaar blijven voor de bittervoorn. Kleine
afstanden tussen niet- en wel onderhouden delen lijken de beste
garantie te geven voor het aanwezig blijven van de soort.”



